home watermolen

 

De Witte Watermolen wordt aangedreven door het water van de Sint Jansbeek.De wordt gevoed door regenwater van de Veluwe dat in de bodem van het Veluwemassief zakt en dat uit de sprengkoppen tevoorschijn komt. Die sprengkoppen werden gegraven aan de voet van de heuvels (stuwwallen), op plaatsen waar het water uit de grond opwelde en van daaruit werd het via met leem bekleede geulen naar de beek geleid. 

 

Ooit stonden er tien watermolens aan de beek, vijf in wat nu Park Sonsbeek heet, twee net buiten de stadsmuren en drie daarbinnen. De eerste molen was een papiermolen. Met het schone (nog ongebruikte) water kon men wit papier maken. De laatste, de tiende, maakte ook papier, maar omdat de beek als open riool werd gebruikt, was het water erg vervuild.Er werd dan ook bruin papier gemaakt. Tussen de twee papiermolens lagen een eekmolen (die eikenschors maalde voor de leerlooierijen), een oliemolen, wasmolens en korenmolens.

 

 

De Witte Watermolen is een bovenslagmolen, het water valt door een luik in de molengoot boven op het waterrad en door het gewicht van dit water draait de molen. Door de constante toevoer blijft hij ook draaien tot de molenaar het luik in de molengoot weer dichtmaakt.

 

Het water van de St. Jansbeek passeert verschillende 'hindernissen'. Zo zijn er de watervallen die de plaatsen aangeven waar vroeger de molens hebben gestaan. Immers, als je een molen sloopt blijft de waterval bestaan, want het niveauverschil blijft.

 

Dan zijn er de vijvers. Het zijn de oude spaarbekkens, de 'weijers', die ervoor zorgden dat de molens een zo constant mogelijke toevoer hadden.

 

 

 

Ook de weiden aan weerszijden van de beek die er nu zo romantisch bijliggen, hadden vroeger een andere functie. Het waren de bleekvelden die bij de wasmolens hoorden en waar men de was “te bleek” legde.

 

De St. Jansbeek was de slagader van 'industrieterrein' Sonsbeek, waar hard gewerkt werd.