home watermolen

 

De Arnhemse stadsparken Zijpendaal en Sonsbeek worden verbonden door een heldere beek; de Sint-Jansbeek. Deze beek die nu een belangrijke recreatieve functie vervult, was vroeger vooral van economisch belang. De bewoning van het gebied dat we nu Sonsbeek noemen, begon meer dan duizend jaar geleden met de vestiging van diverse watermolens langs deze beek.

 

De Sint-Jansbeek ontspringt in het park achter Huis Zypendaal en mondt na ongeveer zeven kilometer, met 43 meter verval, uit in de Nederrijn. Onderweg wordt de beek gevoed door verschillende bronnen, ‘sprengen’ genaamd.

 

 

 

Sprengen

Een regendruppel die eeuwen geleden ergens midden op de Veluwe is gevallen, komt na een zeer lange reis onder het Veluwemassief door, bovengronds bij de eerste bron van de Sint-Jansbeek. Kleilagen die - in bevroren toestand - door het landijs in de voorlaatste ijstijd schots en scheef in de bodem zijn gezet, geleiden het water naar de oppervlakte, meestal onder aan een helling. Molenaars die op zo’n plaats water uit de grond zagen sijpelen (vandaar de naam Zypendaal) groeven zo’n ‘spreng’ aan en leidden het water naar de beek. Om te voorkomen dat het water in droge tijden weer in de zandige bodem zou wegzakken, bekleedde men de bodem en de zijkanten van de beek met keileem. Deze leemlaag moest regelmatig vernieuwd worden. Zonder ingrijpen van de mens zou de Sint-Jansbeek haar natuurlijke weg hebben opgezocht naar het laagste punt van het dal. De beek volgt echter een route die soms hoger ligt dan de dalbodem. In het vochtige weiland tussen de fonteinvijver en de Begijnemolen is het oude beekdal nog goed te zien. Zo’n ‘opgeleide beek’ bracht het water hoog genoeg om het boven op het waterrad van de molen te laten vallen. Ook vlak voor de Witte Watermolen is die hoge ligging van de beek goed te zien.

 

Stuwvijver

In de 16de eeuw zijn stuwvijvers, of ‘wijers’ gegraven als waterreservoir voor de molens. Ze zorgden ervoor dat de molenaar steeds voldoende water tot zijn beschikking had. In het begin van de 19e eeuw zijn deze stuwvijvers in opdracht van baron van Heeckeren uitgegraven tot siervijvers. Dat paste beter in de Engelse landschapstijl waarin hij Sonsbeek liet aanleggen. Toen is ook de Grote Waterval gebouwd, die de plaats innam van de Gelderse Molen, een oliemolen. De Grote Vijver – die oorspronkelijk een stuk kleiner was – vormde de stuwvijver voor die molen.

 

Bovengronds

Na haar tocht langs vijvers, watervallen en fonteinen, verdwijnt de Sint-Jansbeek, kort na het verlaten van Park Sonsbeek, onder de grond. Via een stelsel van buizen, vijvers en een gemaal, mondt de beek tenslotte uit in de Nederrijn. Er zijn serieuze plannen om de Sint-Jansbeek weer volledig boven de grond te halen.